Paragraaf Financiering

Inleiding

Deze paragraaf beschrijft de uitvoering van de financieringsfunctie door Zeeland. Financiering houdt voor de Provincie in dat er voldoende liquide middelen in kas zijn om aan alle financiële verplichtingen te voldoen. Hiervoor worden kortlopende leningen afgesloten waarbij het renterisico is afgedekt met een renteswap (voor uitleg zie "Financieringsbehoefte"). Daarnaast geven we inzicht in de financieringsbehoefte, rentelasten, het renteresultaat en de rentetoerekening.

Beleid

Naast de provinciale kaders gelden de wettelijke kaders die zijn vastgelegd in:

  • Wet financiering decentrale overheden (Wet fido).
  • Ministeriële regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (RUDDO).
  • Besluit Begroting en Verantwoording Provincies en Gemeenten (BBV).

In deze kaders staan onder andere richtlijnen over het aangaan en verstrekken van leningen, evenals het verstrekken van leningen en garanties of afgeven van waarborgen voor de publieke taak. Uitzettingen of derivaten moeten een voorzichtig karakter hebben en niet zijn gericht op het ontwikkelen van inkomen door het lopen van overmatig risico. In de ministeriële regeling staat wat minimaal onder prudente uitzettingen en een prudent gebruik van derivaten moet worden verstaan. De voorschriften richten zich op de tegenpartij (debiteurenrisico) en op het type instrument (marktrisico).

Wijzigingen ten opzichte van beleid 2022

Er zijn geen wijzigingen voor financiering in 2023 vergeleken met het beleid van 2022. Wel wordt in het najaar 2022 een geactualiseerd Besluit Financieringsstatuut 2022 Zeeland ter vaststelling aan Provinciale Staten voorgelegd. De belangrijkste wijzigingen zijn een hoger drempelbedrag voor het aanhouden van middelen in de schatkist en het proces voor het aantrekken van middelen is verder aangescherpt. Dit vernieuwde financieringsstatuut treedt per 1 januari 2023 in werking.

Speerpunten

  • Zorgen voor de tijdige beschikbaarheid van de nodige financiële middelen.
  • Beheersen van financiële risico’s.
  • Minimaliseren van de kosten bij het beheren van geldstromen en financiële posities.

Kengetallen

  • Kasgeldlimiet: € 21,8 miljoen.
  • Renterisiconorm: € 62,4 miljoen.
  • EMU saldo € 27,8 miljoen (zie berekening "EMU saldo" ).

Schatkistbankieren

Vanaf 2013 is de Wet verplicht Schatkistbankieren ingesteld. Dat houdt in dat de Provincie al haar overtollige liquide middelen moet aanhouden bij het Ministerie van Financiën. Dit kan in de vorm van een rekening courant of het plaatsen van (meerjarige) deposito’s. Onder voorwaarden mogen er ook leningen verstrekt worden aan medeoverheden, het zogenaamde onderling uitlenen. Omdat de Provincie in een meerjarige leensituatie verkeert, heeft het verplicht schatkistbankieren geen financieel effect. Er kan niet geleend worden bij de schatkist.

Risicobeheer vlottende schuld

De zogeheten ‘kasgeldlimiet’ stelt een grens aan de korte financiering (7% van het begrotingstotaal, totale lasten). Dit betekent dat we investeringen tot deze kasgeldlimiet mogen financieren met leningen die een looptijd hebben van maximaal 1 jaar, waardoor het renterisico van korte financiering beperkt wordt.

De maximaal toegestane financiering met kort geld in 2023 bedraagt ongeveer € 21,8 miljoen (7% van het begrotingstotaal van € 312 miljoen). Om onder andere aan de kasgeldlimiet te voldoen, is een swap (zie uitleg bij financieringsbehoefte) afgesloten tot en met 2029.

Risicobeheer vaste schuld, renterisiconorm

Voor de vaste schuld is in de Wet fido ook een norm beschreven, de zogenaamde ‘renterisiconorm’. De renterisiconorm is het maximaal toegestane renterisico over langlopende schulden (looptijd > 1 jaar). Een langlopende schuld wordt ook wel vaste schuld genoemd. Het renterisico op deze leningen is afhankelijk van:

  • Het gedeelte van de vaste schuld waarvoor de geldnemer een wijziging van de rente met de leningsvoorwaarden niet kan beïnvloeden (renteherziening).
  • Het gedeelte van de vaste schuld dat in enig jaar geherfinancierd moet worden door het aangaan van nieuwe leningen (herfinanciering).

In de Wet fido, artikel 1 h, wordt de renterisiconorm beschreven als een bedrag ter grootte van een percentage van het totaal van het begrotingstotaal van het openbare lichaam bij start van het jaar. Voor provincies is dit percentage 20% van het begrotingstotaal. Het begrotingstotaal voor 2023 bedraagt € 312 miljoen. De renterisiconorm voor Zeeland bedraagt € 62,4 miljoen.

Vanaf 2012 is een leenfaciliteit afgesloten in combinatie met een renteproduct (swap) tot en met 2029. Deze swap zorgt ervoor dat de rente is gefixeerd tijdens de gehele looptijd. Daarmee wordt voldaan aan de renterisiconorm.

Financieringsbehoefte en rentelasten

De provincie Zeeland zit in een structurele leensituatie. We hebben in 2009 de aandelen van de Westerscheldetunnel overgenomen met als doel het rendement te gebruiken voor de realisatie van de Sluiskiltunnel. Hiervoor is langdurige financiering geregeld.

Het renterisico is grotendeels afgedekt met een rente-instrument, een zogenaamde renteswap, afgesloten bij de Rabobank. De swap heeft een looptijd tot en met 2029. Door de swap wordt een variabel rentetarief (driemaands Euribor) geruild tegen een vaste rente. De Provincie betaalt zo de vaste rente en ontvangt de variabele rente. Wanneer deze rentestromen met elkaar worden verrekend, resteert een structuur waarin we per saldo het vaste tarief van de swap betalen. In feite ontstaat hierdoor een structuur die gelijk is aan een vastrentende lening. Bij een traditionele vaste geldlening zijn de afdekking van het renterisico en de beschikbaarheid van geld tegelijk geregeld. Bij een swap zijn deze twee onderdelen van elkaar gescheiden. De swap zorgt er voor dat de rente is gefixeerd tijdens de gehele duur van de geschatte financieringsbehoefte. Deze constructie voldoet aan wet- en regelgeving, waaronder de Wet fido, de Ruddo en ons eigen financieringsstatuut. De swap voorziet niet in de leenbehoefte zelf, maar dient  voor het afdekken van het renterisico, de benodigde financiële middelen worden op de geldmarkt aangetrokken.

Omdat we in een structurele leensituatie verkeren, verwachten we door de meest recente liquiditeitsprognose onderstaande financieringsbehoefte. De te lenen financieringsmiddelen over de te verwachten leenbehoefte aan het eind van het jaar, de gemiddelde financieringsbehoefte is het bedrag dat gemiddeld over dat jaar geleend wordt. Let wel deze financieringsbehoefte gaat er vanuit dat de volledige investeringsagenda wordt uitgevoerd. 

Financieringspositie en rentelasten                                                              bedragen x € 1 miljoen          
  2022 2023 2024 2025 2026
Te lenen financieringsmiddelen 24 47 59 61 55
Gemiddeld financieringsbehoefte 15 31 45 53 54
Te verwachten rentelasten 2,2 2,0 2,2 2,3 2,2

 

Huidige situatie SWAP

Volgens de meest recente meerjarige liquiditeitsprognose is de leenbehoefte van 2022 tot en met 2024 lager dan de renteafdekking door de swap. De swap is daardoor deels onbenut in deze jaren en daarmee ook deels ineffectief. Dit is omdat rentepremie wordt betaald voor aan te trekken leningbedragen die niet geheel nodig zijn. 

Door de oplopende rente daalt het bedrag om de swap in één keer af te wikkelen.  Dat betekent wel dat op dat moment, andere vormen van financiering gevonden moeten worden. Als de situatie zich voordoet dat dit tot een (meerjarig) rentevoordeel leidt zullen we dat uiteraard in gang zetten. Provinciale Staten zullen daarin ook betrokken worden.   

Rentetoerekening

In artikel 13 BBV is voorgeschreven dat de paragraaf financiering in ieder geval inzicht geeft in:

  • de rentelasten
  • het renteresultaat
  • de financieringsbehoefte
  • de manier waarop rente aan investeringen, grondexploitaties, en taakvelden wordt toegerekend

De behoefte aan inzicht in de kosten op de taakvelden en de behoefte om de manier van verantwoorden van rente in de begroting en jaarrekening te harmoniseren, hebben er toe geleid dat in het wijzigingsbesluit Besluit begroting en verantwoording (BBV) is opgenomen dat de rentekosten aan deze taakvelden moeten worden toegerekend door een (rente)omslag. De commissie BBV adviseert het renteschema hieronder in de paragraaf Financiering van de begroting en jaarstukken op te nemen.

Tabel renteschema (Bedragen x € 1.000)

a. De externe rentelasten over de korte en lange financiering 2.000
b. De externe rentebaten -20

Totaal door te rekenen externe rente

1.980
c. De rente die aan de grondexploitatie moet worden doorberekend 0
De rente van projectfinanciering die aan het betreffende taakveld moet worden toegerekend 0
Saldo door te rekenen externe rente 1.980
d1. Rente over Eigen Vermogen  
d2. Rente over voorzieningen (gewaardeerd op contante waarde) 15
De aan taakvelden (programma's inclusief overzicht Overhead) toe te rekenen rente 1.995
e. De werkelijk aan taakvelden (programma's inclusief Overhead) toegerekende rente (renteomslag) 2.115
f. Renteresultaat op het taakveld treasury 120




 

Overzicht verstrekte geldleningen

Door de langdurige leensituatie van Zeeland is een geringe hoeveelheid aan gelden uitgezet:

1. Wachtgeldvoorziening van de voormalige Provinciale Stoombootdiensten (PSD). De middelen voor die voorziening zijn via een ‘cash-flow swap’ op lange termijn belegd. Rente en aflossingen op deze lening worden ieder kwartaal ontvangen tot en met 2028. 

2. Stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse Gemeenten (SVN). Aan SVN is in totaal € 3 miljoen aan leningen bestemd voor stimulering duurzame woningverbetering. Deze leningen mochten tot en met 2013 worden uitgezet, daarna zijn alle aflossingen voor de Provincie. 

Hieronder staat het overzicht van de verstrekte geldleningen.

        (bedrag x € 1.000)
Verstrekte geldleningen Stand ultimo
Leningen uitgezet 2022 2023 2024 2025 2026
Wachtgeldvoorziening PSD 624 309 147 71 23
Duurzaamheidslening woningverbetering aan SVN    986    836   686  536    386
Totaal 1.610 1.145 833 607 409