Meer
Publicatiedatum: 30-09-2020

Inhoud

Programma onderdelen

Inleiding

Inleiding

Op 1 april 1998 is in de Wet milieubeheer een regeling met betrekking tot de nazorg van operationele stortplaatsen in werking getreden. Dit wordt ook wel ‘Leemtewet’ genoemd en heeft betrekking op stortplaatsen die na 1 januari 1996 nog afval (hebben) ontvangen. Binnen Zeeland gaat het om twee stortplaatsen c.q. Leemtewetlocaties:

  • Stortplaats Noord- en Midden-Zeeland bij Nieuwdorp
  • Stortplaats Koegorspolder bij Terneuzen

Stortplaats Noord- en Midden-Zeeland is in beheer bij Indaver, tot juli 2015 een dochteronderneming van Delta en daarna overgedaan aan Katoen Natie.  Stortplaats Koegorspolder is gesloten.

Op grond van de Leemtewet is de Provincie Zeeland organisatorisch, financieel en bestuurlijk verantwoordelijk voor de eeuwigdurende nazorg van stortplaatsen die binnen haar grondgebied vallen. Dit betekent dat de provincie vanaf het moment dat de stortplaats gesloten wordt verklaard, verantwoordelijk is voor de uitvoering van maatregelen die waarborgen dat de stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt dan wel, voor zover dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die nadelige gevolgen.

 

De financiering van de nazorg vindt plaats uit de opbrengsten van de bij belastingverordening ingestelde heffing. De opbrengsten van de heffing en de daarop te behalen rendementen worden gestort in een nazorgfonds wat door GS wordt beheerd. De uitvoering van de werkzaamheden ten behoeve van de nazorg worden uit dit fonds gefinancierd.

 

Noord- en Midden Zeeland (in het Sloegebied)

De Stortplaats Noord- en Midden-Zeeland is in fases aangelegd. De laatste fase dateert uit 2005. Per fase geldt de eis dat deze binnen 30 jaar na aanleggen van de onderafdichting dat deel van de stortplaats moet worden voorzien van een eindafdekking. 

Er wordt in ieder geval tot 2025 afval gestort. 

De fase van actieve en eeuwigdurende nazorg voor de stortplaats Noord en Midden Zeeland zal naar verwachting niet voor 2027 aanvangen.

 

Koegorspolder (bij Terneuzen)

In 2017 is het nazorgplan vastgesteld door het bestuur van het Nazorgfonds (GS) evenals het doelvermogen.

In december 2017 heeft GS de beschikking op de sluitingsverklaring vastgesteld. Deze is in februari 2018 onherroepelijk geworden. Vanaf februari 2018 is de Provincie Zeeland verantwoordelijk voor de eeuwigdurende nazorg.

De lasten en baten  voor de uitvoering van de nazorg zijn vanaf 2020 budgettair neutraal opgenomen in de Provinciale begroting, programma Fysieke Leefomgeving. 

In 2019 werden de lasten en baten nog via een rekeningcourant verhouding verantwoord.

 

Nazorgfonds

Om voor de nazorg de benodigde financiële middelen aan te trekken is een nazorgheffing ingesteld die wordt opgelegd aan de stortplaatseigenaar. De Wet milieubeheer verplicht de provincies een fonds op te richten voor het beheer van deze opbrengsten. De wetgever heeft hiervoor gekozen om de belastingplichtige de maximale zekerheid te bieden dat de heffingsopbrengsten uitsluitend voor de nazorg van stortplaatsen zullen worden aangewend. Het bedrag van de nazorgheffing wordt zodanig vastgesteld, dat uit die opbrengst van de heffing en de daarover verkregen rentebaten en beleggingsopbrengsten de kosten kunnen worden gedekt, die gemoeid zijn met de nazorg. Op het moment van de sluiting van een stortplaats wordt de definitieve aanslag door de Provincie opgelegd. De Provincie Zeeland zal vanaf dat moment het onderhoud van de stortplaats eeuwigdurend ten laste brengen van dit fonds. Wanneer blijkt dat er binnen het fonds onvoldoende middelen zijn dan is de Provincie gehouden dit aan te vullen.

Het zogenaamde doelvermogen van het Nazorgfonds wordt berekend aan de hand van het door de stortplaatseigenaar ingediende nazorgplan en het IPO-rekenmodel RINAS[1]. In dit model wordt een raming gemaakt van de verwachte onderhoudskosten nadat de sluiting van de stortplaats heeft plaats gevonden en de nazorg aanvangt. Deze onderhoudskosten worden rekenkundig contant gemaakt naar het jaar waarin de stortplaats sluit en de nazorg start. Het totaal van deze contant gemaakte onderhoudskosten wordt het doelvermogen genoemd. Door de Provincie wordt dit doelvermogen vervolgens opnieuw rekenkundig contant gemaakt naar het moment waarop de aanslag door de Provincie Zeeland wordt opgelegd. De exploitant dient deze netto-contante waarde te betalen. Het IPO-rekenmodel gaat uit van een beleggingsrendement van 5%. Het risico van een mogelijk afwijkend werkelijk rendement ligt bij de Provincie Zeeland.

 

COVID-19
Het coronavirus houdt de maatschappij in haar greep en dit zal – naar verwachting – de komende tijd ook zo blijven.  De gevolgen van het coronavirus en de vanuit de regering getroffen (ingrijpende) maatregelen raken nagenoeg alle sectoren. De effecten van de aanpak van het coronavirus zal, gezien de aard en doelstellingen van het Nazorgfonds, een beperkte invloed hebben op  de uitvoering en besluitvorming binnen het Fonds, maar de financiële impact is op dit moment onmogelijk goed in te schatten.

De gevolgen op de aandelenmarkten, als gevolg van de corona-crisis, kan gevolgen hebben voor de waarde van de beleggingsportefeuille van het Fonds. Het risico van een te sterkte daling van de waarde van de portefeuille ligt uiteindelijk bij de Provincie Zeeland.


[1] IPO = InterProvinciaal Overleg; RINAS = Rekenmodel IPO NAzorg Stortplaatsen